Betekenis van:
kreuk

kreuk (de ~ | meervoud kreuken)
Zelfstandig naamwoord
  • onbedoelde vouw in stof of papier; onbedoelde vouw in stof of papier
"de kreuken [uit de stof] strijken"
"in de kreuk zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord