Betekenis van:
krijg

krijg (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • gevecht tussen landen of volkeren; oorlog
"een krijg voeren"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

krijg
Zelfstandig naamwoord
  • een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik krijg wat ik wil.
  2. Ik krijg mijn diploma over twee jaar.
  3. Hoeveel huiswerk krijg je elke dag?
  4. Ik krijg heimwee als ik aan m'n familie denk.
  5. Als je binnen drie minuten je bord niet leeg hebt, krijg je geen toetje.
  6. In Singapore krijg je een boete als je afval op straat gooit.
  7. Met zo'n zachte, heldere nacht als vandaag, krijg ik altijd zin om om middernacht een ommetje te maken.
  8. Het is maar tien graden, en hij loopt in een T-shirt buiten. Ik krijg het al koud als ik naar hem kijk.