Betekenis van:
krik
krik (de ~ | meervoud krikken)
Zelfstandig naamwoord
- werktuig om een auto omhoog te duwen
"op de krik [staan]"
Synoniemen
Hyperoniemen
krik
Zelfstandig naamwoord
- een voorwerp om zware dingen, zoals een auto, mee op te tillen
"Ik had een lekke band met de auto, maar kon de krik niet vinden."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Gasleidingen of –slangen mogen zich niet bij steunpunten voor de krik bevinden.
- Starre of flexibele brandstofleidingen mogen zich niet bij steunpunten voor de krik bevinden.
- Het deel van de trekker dat stijf verbonden is met de as die meer dan 50 % van het gewicht van de trekker draagt, wordt met een krik of hijswerktuig opgetild, waarbij de hellingshoek constant wordt gemeten.