Betekenis van:
krik

krik (de ~ | meervoud krikken)
Zelfstandig naamwoord
  • werktuig om een auto omhoog te duwen
"op de krik [staan]"

Synoniemen

Hyperoniemen

krik
Zelfstandig naamwoord
  • een voorwerp om zware dingen, zoals een auto, mee op te tillen
"Ik had een lekke band met de auto, maar kon de krik niet vinden."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Gasleidingen of –slangen mogen zich niet bij steunpunten voor de krik bevinden.
  2. Starre of flexibele brandstofleidingen mogen zich niet bij steunpunten voor de krik bevinden.
  3. Het deel van de trekker dat stijf verbonden is met de as die meer dan 50 % van het gewicht van de trekker draagt, wordt met een krik of hijswerktuig opgetild, waarbij de hellingshoek constant wordt gemeten.