Betekenis van:
lachen

lachen
Werkwoord
  • zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
"Hij lachte hartelijk om de kostelijke grap."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij barstte in lachen uit.
  2. Hij doet niks dan lachen.
  3. Ik kon niet stoppen met lachen.
  4. Dat bracht me aan het lachen.
  5. Ik zei dat alleen maar om te lachen.