Betekenis van:
leerkracht

leerkracht (de ~ | meervoud leerkrachten)
Zelfstandig naamwoord
  • iem. die onderwijs geeft
"ouders en leerkrachten (van de St.- Dominicusschool)"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

leerkracht
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die lesgeeft
"De leerkracht wist in de moeilijke klas goed orde te houden."

Voorbeeldzinnen

  1. Hij boog voor zijn leerkracht.
  2. Waarom vraag je je leerkracht niet om raad?
  3. De man waar ik mee aan het praten was is mijn leerkracht Engels.