Betekenis van:
leuning

leuning
Zelfstandig naamwoord
  • iets waartegen men aan kan leunen
"Gelukkig kon hij de trap op door zich vast te houden aan de leuning."
leuning
Zelfstandig naamwoord
  • de achterkant van een stoel
"De leuning van de stoel ontbrak, dus kon ik niet naar achteren leunen."

Voorbeeldzinnen

  1. Bij dubbele deuren kan aan dit voorschrift worden voldaan door één centrale staander of centrale leuning aan te brengen.