Betekenis van:
leuning
leuning
Zelfstandig naamwoord
- iets waartegen men aan kan leunen
"Gelukkig kon hij de trap op door zich vast te houden aan de leuning."
leuning
Zelfstandig naamwoord
- de achterkant van een stoel
"De leuning van de stoel ontbrak, dus kon ik niet naar achteren leunen."
Voorbeeldzinnen
- Bij dubbele deuren kan aan dit voorschrift worden voldaan door één centrale staander of centrale leuning aan te brengen.