Betekenis van:
lus

lus (de ~ | meervoud lussen)
Zelfstandig naamwoord
  • tot een oog gedraaid deel van een touw of lint om er iets in te kunnen steken of het om iets heen te kunnen slaan
"iets aan een lus(je) hangen"
"zich aan de lus vasthouden"

Synoniemen

Hyperoniemen

lus
Zelfstandig naamwoord
  • een kring aangebracht in een touw of band
"Er zit een lusje aan om het op te kunnen hangen."