Betekenis van:
maat-

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Weet u uw maat?
  2. Ik zoek een jas in mijn maat.
  3. Deze schoen is een maat groter.
  4. Er is maat in de dingen, er zijn tenslotte zekere grenzen
  5. vezeltype met maat;
  6. op maat gesneden profielen
  7. de maat (alleen voor pootaardappelen);
  8. Filtreerpapier en -karton, op maat gesneden
  9. Reparatie van kleding (omvat kleding op maat)
  10. 2 vlakken voor sleutel maat 36
  11. De kleinste maat voor vers gezouten vis.
  12. Vervaardiging uit niet op maat gezaagde planken
  13. Voor kinderschoenen geldt als referentieschoenmaat 32 (Parijse maat) (of de grootste maat indien deze kleiner is dan schoenmaat 32 (Parijse maat)).
  14. Machines voor het (op maat) sorteren van fruit
  15. CTP is een maat voor de rekenprestaties, uitgedrukt in Mtops.