Betekenis van:
noemen

noemen
Werkwoord
  • een naam geven
"je zoon naar een acteur noemen"
"iemand [een uilskuiken] noemen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

noemen
Werkwoord
  • naam vermelden
"drie Duitse automerken noemen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

noemen
Werkwoord
  • met een naam aanduiden
"Hoe noem je zo'n plant?"
noemen
Werkwoord
  • vermelden door het uitspreken van de naam
"In het bijzonder zou ik Jacob willen noemen, die zich afgelopen jaar ongelooflijk hard voor ons heeft ingezet."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ze noemen hem Jim.
  2. Mensen noemen hem Dave.
  3. Mijn vrienden noemen me Ken.
  4. Wij noemen New York "the Big Apple".
  5. "LGBT-gemeenschappen over de hele wereld noemen je een 'held' en zeggen dat je opzettelijk vals beschuldigd bent," legde Al-Sayib uit. "Maar de ordehandhavingsorganisaties bestempelen je allemaal als een medogenloos moordenaar. Welk van die twee ben je, Dima?"
  6. (hierna gezamenlijk „ECB-werknemers” te noemen).
  7. (hierna „PB 1165/1963” te noemen).
  8. DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „de Gemeenschap” te noemen,
  9. (hierna gezamenlijk „deelnemers aan de besluitvormende organen te noemen”), en
  10. (Alleen onderwerpen noemen waarvoor een EG-typegoedkeuring bestaat)
  11. Er wordt een Europese Bestuursschool opgericht, hierna „school” te noemen.
  12. vissersvaartuigen van de Gemeenschap, hierna „vaartuigen van de Gemeenschap” te noemen, en tevens
  13. Er wordt een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, hierna „het agentschap” te noemen, opgericht.
  14. In hun antwoordbrief van 19 juli 2006 noemen zij naar de vogelgriep een buitengewone gebeurtenis.
  15. Een lastenverlichting van 270000 NOK is in dit verband niet echt aanzienlijk te noemen.