Betekenis van:
ook
ook
Bijwoord
- daarnaast; verder; tevens
"Ook de brandweer was naar het ongeluk toegekomen."
Voorbeeldzinnen
- Ook dat is waar.
- Ik ben ook leraar.
- Hij komt ook niet.
- Ook gij, Brutus?
- Ook dat is waar.
- Ik ook niet.
- Hij spreekt ook Russisch.
- Hij studeert ook Chinees.
- Komen zij ook?
- Heeft u ook bier?
- Hij spreekt ook Frans.
- Ik wil het ook!
- Ik ben ook een toerist.
- Misschien spreekt Jack ook Spaans.
- Dit is ook een appel.