Betekenis van:
ook

ook
Bijwoord
  • daarnaast; verder; tevens
"Ook de brandweer was naar het ongeluk toegekomen."

Voorbeeldzinnen

  1. Ook dat is waar.
  2. Ik ben ook leraar.
  3. Hij komt ook niet.
  4. Ook gij, Brutus?
  5. Ook dat is waar.
  6. Ik ook niet.
  7. Hij spreekt ook Russisch.
  8. Hij studeert ook Chinees.
  9. Komen zij ook?
  10. Heeft u ook bier?
  11. Hij spreekt ook Frans.
  12. Ik wil het ook!
  13. Ik ben ook een toerist.
  14. Misschien spreekt Jack ook Spaans.
  15. Dit is ook een appel.