Betekenis van:
openlijk

openlijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet verborgen
"een openlijke machtsstrijd"
"openlijke onenigheid"
openlijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder te verbergen, in het openbaar
"Hij liet zijn voorkeur openlijk blijken."

Voorbeeldzinnen

  1. Dit is net de reden waarom Usinor in februari openlijk aankondigde dat de staalproductie te Charleroi geen enkele toekomst had.
  2. oproepen tot het geven van blijken van belangstelling voor de verwerving van de rechten, in de vorm van een openbare of niet-openbare aanbesteding, moeten openlijk en gelijktijdig naar de omroepen van beide categorieën worden gestuurd;
  3. Instellingen en werkgevers die zich aan de Gedragscode houden, geven openlijk te kennen dat zij zich ertoe verbinden op een verantwoorde en respectvolle wijze te handelen en eerlijke raamvoorwaarden aan onderzoekers aan te bieden, met de duidelijke bedoeling bij te dragen tot de bevordering van de Europese onderzoeksruimte.
  4. Zij wijzen op het onmiskenbaar openlijke karakter van dit geval en voeren aan dat gevallen met een openlijk karakter krachtens de regelgeving en de jurisprudentie niet aan de hand van bewijzen te hoeven worden aangetoond; de bewijslast geldt alleen in situaties waarin twijfels en onzekerheid over de feiten bestaan.