Betekenis van:
poel

poel (de ~ | meervoud poelen)
Zelfstandig naamwoord
  • ondiepe plas; poel
"een poel van verderf/ellende"

Synoniemen

Hyperoniemen

poel
Zelfstandig naamwoord
  • een vrij klein stilstaand water
"Er zit in die poel niet zo veel vis."

Voorbeeldzinnen

  1. De afmetingen van de poel zijn per 2 m2 leefruimte.
  2. Aan de binneninrichting kunnen de volgende elementen worden toegevoegd: zacht kunststofschuim op de bodem nabij de poel, stenen, stukken kunstschors, kunstmatige takken en bladeren en zitplankjes.
  3. Eenden en ganzen dienen te kunnen beschikken over een poel waarvan de bodem uit een mengsel van stenen en grint bestaat, zowel om de vogels toe te laten een breder spectrum van gedragingen te vertonen als om hen in staat te stellen hun verenkleed op passende wijze te verzorgen.