Betekenis van:
postkantoor
postkantoor (het ~ | meervoud postkantoren)
Zelfstandig naamwoord
- kantoor/winkel v.d. posterijen
"op/bij het postkantoor"
Hyperoniemen
postkantoor
Zelfstandig naamwoord
- kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert zoals bankzaken, kaartverkoop, etc
Voorbeeldzinnen
- Waar is het postkantoor?
- Ik wil dat je naar het postkantoor gaat.
- Dit is een postkantoor, en dat een bank.
- In de zomervakantie heb ik op een postkantoor gewerkt.
- Excuseert u mij, kunt u mij de weg naar het postkantoor wijzen?
- Bouwen van postkantoor
- Uitrusting voor postkantoor
- Voor gebruik op het postkantoor
- Telefoongesprekken via een eigen toestel of vanuit een telefooncel of het postkantoor
- Elk postkantoor dient ten minste vijf dagen in de week open te zijn.
- (facultatief) plaats van het internetgebruik in de laatste drie maanden: postkantoor;
- Verder dient elke gemeente (gmina) met meer dan 2500 inwoners ten minste één postkantoor te hebben.
- In 2006 bedroegen de beheersprovisies die Poste Italiane zijn betaald, amper 7126 EUR per postkantoor.
- Deze titel is van toepassing op postzendingen (met inbegrip van postpakketten) die van een postkantoor in een overeenkomstsluitende partij naar een postkantoor in een andere overeenkomstsluitende partij worden verzonden.
- Gewone papieren BFP’s kunnen namelijk in elk postkantoor en op ieder tijdstip worden „gekocht”: een ieder kan een postkantoor binnenlopen, zich legitimeren en het door haar/hem gewenste bedrag in contanten in BFP’s beleggen.