Betekenis van:
postkantoor

postkantoor (het ~ | meervoud postkantoren)
Zelfstandig naamwoord
  • kantoor/winkel v.d. posterijen
"op/bij het postkantoor"

Hyperoniemen

postkantoor
Zelfstandig naamwoord
  • kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert zoals bankzaken, kaartverkoop, etc

Voorbeeldzinnen

  1. Waar is het postkantoor?
  2. Ik wil dat je naar het postkantoor gaat.
  3. Dit is een postkantoor, en dat een bank.
  4. In de zomervakantie heb ik op een postkantoor gewerkt.
  5. Excuseert u mij, kunt u mij de weg naar het postkantoor wijzen?
  6. Bouwen van postkantoor
  7. Uitrusting voor postkantoor
  8. Voor gebruik op het postkantoor
  9. Telefoongesprekken via een eigen toestel of vanuit een telefooncel of het postkantoor
  10. Elk postkantoor dient ten minste vijf dagen in de week open te zijn.
  11. (facultatief) plaats van het internetgebruik in de laatste drie maanden: postkantoor;
  12. Verder dient elke gemeente (gmina) met meer dan 2500 inwoners ten minste één postkantoor te hebben.
  13. In 2006 bedroegen de beheersprovisies die Poste Italiane zijn betaald, amper 7126 EUR per postkantoor.
  14. Deze titel is van toepassing op postzendingen (met inbegrip van postpakketten) die van een postkantoor in een overeenkomstsluitende partij naar een postkantoor in een andere overeenkomstsluitende partij worden verzonden.
  15. Gewone papieren BFP’s kunnen namelijk in elk postkantoor en op ieder tijdstip worden „gekocht”: een ieder kan een postkantoor binnenlopen, zich legitimeren en het door haar/hem gewenste bedrag in contanten in BFP’s beleggen.