Betekenis van:
regenen
regenen
Werkwoord
- het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
"Het zal snel gaan regenen."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Het bleef een week regenen.
- Het bleef de hele dag door regenen.
- Het zal zonder twijfel gaan regenen.
- Ik ben bang dat het gaat regenen.
- Het zal gauw stoppen te regenen.
- Het bleef de hele dag door regenen.
- Het houdt juist op met regenen, laat ons dus vertrekken.
- Laat ons wachten tot het ophoudt met regenen.
- Het ziet er naar uit dat het gaat regenen.
- Zodra we er aankwamen, begon het te regenen.
- Ik ben bang dat het morgen gaat regenen.
- Neem een paraplu met je mee in het geval dat het gaat regenen.
- Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was begon het ook nog eens te regenen.