Betekenis van:
schakelaar
schakelaar (de ~ | meervoud schakelaars)
Zelfstandig naamwoord
- knop voor het aan- en uitzetten; knop voor het aan- en uitzetten; schakelaar v.e. apparaat
"de schakelaar omzetten"
"de schakelaar staat op aan"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- Stand van de schakelaar
- Schakelaar is beschadigd of werkt niet correct.
- Schakelaar werkt niet in overeenstemming met de vereisten [8].
- het gebruik van de door de bestuurder gecontroleerde schakelaar;
- de positie van de aan/uit-schakelaar (indien voorhanden);
- Indien de overschakeling van de ene brandstof naar de andere in de praktijk geschiedt met behulp van een schakelaar, mag deze schakelaar tijdens de typegoedkeuring niet worden gebruikt.
- De draagbare computer moet een gemakkelijk te bereiken aan-uit-schakelaar hebben.
- met een schakelaar die de brandstofpomp automatisch uitschakelt wanneer de dagtank vol is.
- Schakelaar werkt niet in overeenstemming met de vereisten [8] (Aantal oplichtende koplampen op hetzelfde moment).
- Om het knielsysteem in werking te stellen, moet een schakelaar worden geactiveerd.
- de inrichtingen worden manueel in- en uitgeschakeld met een afzonderlijke schakelaar;
- Deze schakelaar mag alleen worden gebruikt om regeneratie tijdens het laden van het regeneratiesysteem en tijdens de voorbereidingscycli te verhinderen.
- De bediening van het signaal moet geschieden door middel van een afzonderlijke schakelaar die alle richtingaanwijzers synchroon moet laten functioneren.
- Ze moeten zijn aangesloten op een automatische schakelaar in of in de nabijheid van het bedieningspaneel van het brandmeldsysteem.
- Alle richtingaanwijzers die zich aan dezelfde kant van het voertuig bevinden, worden met dezelfde schakelaar bediend en knipperen synchroon.