Betekenis van:
schipbreuk

schipbreuk (de ~ | meervoud schipbreuken)
Zelfstandig naamwoord
  • het verongelukken v.e. schip
"schipbreuk lijden"
"schipbreuk lijden"

Hyperoniemen

schipbreuk
Zelfstandig naamwoord
  • een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
"De Poolse vloot leed schipbreuk."
schipbreuk
Zelfstandig naamwoord
  • falen, mislukking, ondergang
"Schipbreuk van de beschaving."

Voorbeeldzinnen

  1. De in de delen A en B beschreven maatregelen zijn vastgesteld naar aanleiding van de verontreiniging door de schipbreuk van de olietanker Erika op 12 december 1999 en de hevige storm van 26 en 27 december 1999.
  2. Bij brief van 21 juni 2000 heeft Frankrijk de Commissie in kennis gesteld van de compensatiemaatregelen die het had vastgesteld ten behoeve van vissers en viskwekers die schade hadden geleden als gevolg van de olieverontreiniging door de schipbreuk van de Erika in de Golf van Gascogne op 12 december 1999 enerzijds en de uitzonderlijk hevige storm op 27 en 28 december 1999.
  3. Volgens Frankrijk zijn deze gegevens een kwantificeerbaar bewijs voor de achteruitgang van de eerste verkoop in de periode van januari tot en met juni 2000 en zijn ze tekenend, voorzover dat nog niet duidelijk was, voor de reactie van de Franse consument op de schipbreuk van de Erika.
  4. Deze maatregel is gericht tot twee categorieën viskwekers: die welke schade hebben geleden aan de bestanden en het exploitatiemateriaal als gevolg van de storm van december 1999 en steun voor het herstel van de bestanden hebben ontvangen enerzijds, en die welke schade hebben geleden door olieverontreiniging als gevolg van de schipbreuk van de Erika en een voorschot op de door het IOPC-fonds te betalen vergoedingen hebben ontvangen anderzijds.