Betekenis van:
schoonmaak

schoonmaak (de ~ | meervoud schoonmaken)
Zelfstandig naamwoord
  • schoonmaak; het schoonmaken v.h. huis
"de grote schoonmaak"
"aan de schoonmaak zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. schoonmaak en onderhoud,
  2. Schoonmaak van woningen
  3. Schoonmaak van woningen
  4. Schoonmaak- en afvalverwijderingsdiensten
  5. schoonmaak- en onderhoudsproducten en -processen en pesticiden;
  6. Antislipmaatregelen, sneeuwploegen, wegnivelleringswerken, sneeuwverwijdering en schoonmaak van verkeersborden.
  7. Schoonmaak- en onderhoudsproducten, schoonmaakartikelen en niet-duurzame huishoudartikelen
  8. Sanering en schoonmaak van bodem en water (CPC 94060**)
  9. voor de schoonmaak en ontsmetting van gebruikte producten;
  10. Kosten voor de schoonmaak en ontsmetting van de bedrijven:
  11. Voorbeelden: vervanging van subsystemen (bv. batterijen, licenties, software), periodieke schoonmaak en controle en calibratieprocedures.
  12. VOORBEELDEN: vervanging van subsystemen (bv. batterijen, licenties, software), periodieke schoonmaak en controle en calibratieprocedures.
  13. Schoonmaak- en onderhoudsproducten zoals wasmiddelen, detergentia, wasverzachters, luchtverfrissers, boenwas, polijstmiddelen, bleekmiddelen, ontsmettingsmiddelen, insectendodende en schimmelwerende middelen en gedistilleerd water
  14. Deze schoonmaak- en ontsmettingsroutines mogen geen negatief effect hebben op de gezondheid of het welzijn van de dieren.
  15. Er werd één ingevulde vragenlijst ontvangen van een fabrikant van een heel assortiment was-, schoonmaak- en lichaamsverzorgingsmiddelen.