Betekenis van:
snorren

snorren
Werkwoord
een snorrend geluid produceren
"Het toestel snorde zachtjes."
snorren
Werkwoord
zich snorrend voortbewegen
"Hij kwam om de hoek gesnord."
snorren
Werkwoord
zich op een snorfiets voortbewegen
"Ik ben maar naar huis gesnord."

Werkwoord