Betekenis van:
strooien

strooien
Bijvoeglijk naamwoord
  • van stro
"een strooien hoed"
strooien
Bijvoeglijk naamwoord
  • van stro gemaakt
"Hij liep daar rond met de belachelijke strooien hoed."
strooien
Werkwoord
  • verspreid neerwerpen
"zand/zout/pekel strooien (tegen de gladheid)"
"er wordt gestrooid"

Hyperoniemen

strooien
Werkwoord
  • verspreid neergooien
"De boer was het zaad al op de velden aan het strooien."

Werkwoord