Betekenis van:
telefoontje

telefoontje (het ~ | meervoud telefoontjes)
Zelfstandig naamwoord
  • telefoongesprek
"een telefoontje plegen"
"een telefoontje krijgen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Tom kreeg een telefoontje van het ziekenhuis.
  2. Ik wacht op een zeer belangrijk telefoontje.
  3. Ik wil een telefoontje plegen, maar ik heb geen kleingeld.
  4. Dit type kennisgeving moet steeds worden voorafgegaan door een telefoontje naar het mobiele nummer van de Commissie voor RAPEX (met name in het weekend en in vakantieperioden).