Betekenis van:
toch

toch
Bijwoord
  • gebruikt om iets extra te benadrukken
"Een rode broek is toch vaak opvallend."
toch
Bijwoord
  • in weerwil van iets
"Het was bar weer maar hij is toch gekomen."
toch
Bijwoord
  • om bevestiging vragend
"Hij is toch naar Amsterdam vandaag?"

Voorbeeldzinnen

  1. Jij kan toch typen?
  2. Jullie zijn Duitsers, toch?
  3. Schiet toch eens op!
  4. Zij houdt van sinaasappels, toch?
  5. Hoe traag zijt ge toch!
  6. Ik zei het je toch!
  7. Dat is toch mijn CD?
  8. Wat zijn jullie toch een vlegels!
  9. Meid, wat heb je toch prachtig haar.
  10. Je gaat toch niet dood, hé?
  11. Jij kan niet zwemmen, of toch?
  12. Dat is niet echt een verrassing toch?
  13. Het is vandaag erg warm, toch?
  14. Water bevriest bij nul graden Celsius, toch?
  15. Tom rijdt in een zwarte auto, toch?