Betekenis van:
toch
toch
Bijwoord
- gebruikt om iets extra te benadrukken
"Een rode broek is toch vaak opvallend."
toch
Bijwoord
- in weerwil van iets
"Het was bar weer maar hij is toch gekomen."
toch
Bijwoord
- om bevestiging vragend
"Hij is toch naar Amsterdam vandaag?"
Voorbeeldzinnen
- Jij kan toch typen?
- Jullie zijn Duitsers, toch?
- Schiet toch eens op!
- Zij houdt van sinaasappels, toch?
- Hoe traag zijt ge toch!
- Ik zei het je toch!
- Dat is toch mijn CD?
- Wat zijn jullie toch een vlegels!
- Meid, wat heb je toch prachtig haar.
- Je gaat toch niet dood, hé?
- Jij kan niet zwemmen, of toch?
- Dat is niet echt een verrassing toch?
- Het is vandaag erg warm, toch?
- Water bevriest bij nul graden Celsius, toch?
- Tom rijdt in een zwarte auto, toch?