Betekenis van:
tractor
tractor (de ~ | meervoud tractoren, tractors)
Zelfstandig naamwoord
- voertuig met grote trekkracht; voertuig met grote trekkracht
"op de tractor (zitten)"
Synoniemen
Hyperoniemen
tractor
Zelfstandig naamwoord
- motorvoertuig dat dient tot het voorttrekken van landbouwwerktuigen, machines enz
"Die tractor blokkeerde een tijdlang alle verkeer op de weg."
Voorbeeldzinnen
- Veldhakselaars om te worden getrokken door een tractor
- Andere maaimachines, om te monteren op of te worden getrokken door een tractor
- speciaal vervaardigd om te worden gemonteerd op of te worden getrokken door een tractor
- Maaimachines, inclusief maaibalken, voor bevestiging op of achter een tractor (excl. voor gazons, parken en sportvelden)
- Maaimachines met een in een horizontaal vlak draaiende snijinrichting, om te monteren op of te worden getrokken door een tractor
- toestellen voor het spuiten, verspreiden of verstuiven, speciaal vervaardigd om te worden gemonteerd op of te worden getrokken door een tractor