Betekenis van:
tractor

tractor (de ~ | meervoud tractoren, tractors)
Zelfstandig naamwoord
  • voertuig met grote trekkracht; voertuig met grote trekkracht
"op de tractor (zitten)"

Synoniemen

Hyperoniemen

tractor
Zelfstandig naamwoord
  • motorvoertuig dat dient tot het voorttrekken van landbouwwerktuigen, machines enz
"Die tractor blokkeerde een tijdlang alle verkeer op de weg."

Voorbeeldzinnen

  1. Veldhakselaars om te worden getrokken door een tractor
  2. Andere maaimachines, om te monteren op of te worden getrokken door een tractor
  3. speciaal vervaardigd om te worden gemonteerd op of te worden getrokken door een tractor
  4. Maaimachines, inclusief maaibalken, voor bevestiging op of achter een tractor (excl. voor gazons, parken en sportvelden)
  5. Maaimachines met een in een horizontaal vlak draaiende snijinrichting, om te monteren op of te worden getrokken door een tractor
  6. toestellen voor het spuiten, verspreiden of verstuiven, speciaal vervaardigd om te worden gemonteerd op of te worden getrokken door een tractor