Betekenis van:
twintigtal

twintigtal (het ~ | meervoud twintigtallen)
Zelfstandig naamwoord
  • groep van twintig stuks
"een twintigtal [toehoorders]"
"een twintigtal [jongeren/gedichten/koeien]"

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Zoals in de missie en taakomschrijving van 28 augustus 1987 wordt vervolgens in een twintigtal artikelen nader ingegaan op de inhoud van deze openbarediensttaken.