Betekenis van:
uitgifte

uitgifte (de ~ | meervoud uitgiften, uitgiftes)
Zelfstandig naamwoord
  • het uitgeven, in omloop, aan, op de markt brengen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. „Nationale bruto-uitgifte
  2. Minimumwaarde van een uitgifte
  3. Uitgifte van elektronisch geld.”.
  4. Uitgifte van ECB-schuldbewijzen
  5. Uitgifte van schuldbewijzen
  6. de ISIN-code van de uitgifte (bij uitgifte van schuldbewijzen).
  7. de uitgifte van obligaties of depositocertificaten (beursgenoteerd of private uitgifte);
  8. KOSTEN VAN DE UITGIFTE/AANBIEDING
  9. uitgifte- en vervaldatum van het aanvullende bevoegdheidsbewijs;
  10. Verbod op de uitgifte van elektronisch geld
  11. Datum van uitgifte van de effecten.
  12. Nationale netto-uitgifte van verzamelmunten (aantal)
  13. Uitgifte en het beheer van betaalmiddelen
  14. Uitgifte van voor circulatie bestemde euroherdenkingsmunten
  15. Nationale netto-uitgifte van verzamelmunten (waarde)