Betekenis van:
uitgroeien

uitgroeien
Werkwoord
  • groter worden
"de boom is flink uitgegroeid"
"uitgroeien boven [de andere bomen]"

Hyperoniemen

uitgroeien
Werkwoord
  • geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot iets
"Het eenmanswinkeltje is nu uitgegroeid tot een winkelketen."
uitgroeien
Werkwoord
  • ophouden met in de groei zijn
"Die operatie heeft pas zin als je uitgegroeid bent."