Betekenis van:
uniform

uniform (de/het ~ | meervoud uniformen)
Zelfstandig naamwoord
  • geijkte kledij
"een uniform dragen"
"in uniform (zijn)"

Hyperoniemen

Hyponiemen

uniform
Zelfstandig naamwoord
  • gelijke, vaak voorgeschreven, kleding
uniform
Zelfstandig naamwoord
  • spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter u
uniform
Bijvoeglijk naamwoord
  • éénvormig, gelijkvormig

Voorbeeldzinnen

  1. De marktrisicopremie was op een uniform percentage van 4 % vastgesteld.
  2. De wijze waarop dit toezicht geschiedt, moet uniform zijn.
  3. Sluitkool van klasse I moet uniform van vorm en kleur zijn.
  4. Tomaten van de klassen „Extra” en I moeten praktisch uniform zijn qua rijpheid en kleur.
  5. Daarenboven zij erop gewezen dat de distributeurs van betaaltelevisie een uniform tariefbeleid toepassen.
  6. De criteria op basis waarvan het bedrag wordt vastgesteld, moeten duidelijk, uniform en openbaar zijn.
  7. met een magneetveld dat over 50 % van het interne veld uniform is tot beter dan 1 %;
  8. .5 Het noodplan of de noodplannen moeten uniform van opzet en gebruiksvriendelijk zijn.
  9. een progressieve belastingschaal op alle inkomstenbronnen toepassen en inkomen uit arbeid en kapitaal horizontaal uniform behandelen;
  10. Bovendien moeten de vruchten in klasse „Extra” uniform van kleur zijn.
  11. Deze referentieperiode is uniform voor alle lidstaten en wordt door de Commissie vastgesteld.
  12. het systeem ondersteunt geen grafische toepassingen die gebruikmaken van Uniform Memory Access (UMA);
  13. Uniform model en gebruik van het stempel waaruit blijkt dat een visumaanvraag ontvankelijk is
  14. Als de hoeveelheden waarvoor certificaten zijn aangevraagd, groter zijn dan de beschikbare hoeveelheden, stelt de Commissie een uniform percentage vast en wordt van de aangevraagde hoeveelheden telkens dit uniform percentage aanvaard.
  15. De aselecte bemonstering moet uniform over het jaar worden gespreid om vertekening van de resultaten te vermijden.