Betekenis van:
vaak

vaak (de ~)
Bijwoord
  • veelvuldig; slaperig gevoel; frequent
"vaak hebben"
"praatjes voor de vaak"

Synoniemen

Hyperoniemen

vaak
Bijwoord
  • vele malen
vaak
Zelfstandig naamwoord
  • de slaap
vaak
Zelfstandig naamwoord
  • vele malen

Voorbeeldzinnen

  1. Hij wordt vaak verliefd.
  2. Italianen drinken vaak koffie.
  3. We lunchen vaak samen.
  4. Kinderen hebben vaak een hekel aan spinazie.
  5. Mijn moeder bakt ons vaak appeltaarten.
  6. Bekende honkbalspelers worden vaak om handtekeningen gevraagd.
  7. We associëren zwart vaak met de dood.
  8. Ze klaagt over hoofdpijn, en vaak.
  9. Hij komt vaak laat op school.
  10. Ik kijk vaak TV voor het avondeten.
  11. Dat is iets dat vrij vaak gebeurt.
  12. Toen ze studeerde, ging ze vaak naar de discotheek.
  13. Ik zwem vaak op het strand in de zomer.
  14. Mensen van je leeftijd hebben vaak dit probleem.
  15. Fantasie is vaak de moeder van de kunst.