Betekenis van:
vanuit

vanuit
Voorzetsel
  • een plaats aangevend die als oorsprong fungeert
"Hij opereert vanuit Rotterdam in de gehele Randstad."

Voorbeeldzinnen

  1. Hij belde me vanuit Tokyo.
  2. Het schip vervoert grondstoffen vanuit Indonesië.
  3. Ze belde me op vanuit Tokyo.
  4. Ik ben naar Japan gekomen vanuit China.
  5. Hij is net vanuit het buitenland terug.
  6. We konden de zonsondergang vanuit ons raam zien.
  7. Vanuit de ruimte lijkt de Aarde tamelijk klein.
  8. Achteraf gedacht", "Vanuit de ervaring
  9. Strijdend vanuit de duisternis (nacht)
  10. Vanuit het ambt", "Vanwege de functie
  11. Vanuit de verte gezien zag het eruit als een menselijk gezicht.
  12. Vanuit de verte gezien zag het eiland eruit als een wolk.
  13. Vanuit de verte gezien ziet de heuvel eruit als een olifant.
  14. Het lijkt onmogelijk te zijn om een obsessieve neurose van een intense liefde te onderscheiden vanuit een biochemisch perspectief.
  15. De jongen vond het leuk om eieren naar mensen te gooien vanuit het raam van zijn flat.