Betekenis van:
verband

verband (het ~ | meervoud verbanden)
Zelfstandig naamwoord
  • doek ter verbinding v.e. wond; verband
"een verband aanleggen"
"haar hand zit in het verband"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

verband (het ~ | meervoud verbanden)
Zelfstandig naamwoord
  • samenhang
"dit houdt verband met het droge weer van de laatste tijd"
"de verdediging werd totaal uit verband gespeeld"

Hyperoniemen

Hyponiemen

verband
Zelfstandig naamwoord
  • een strook stof om een wond e.d. mee af te dekken
"De verpleegster legde een nieuw verband aan omdat het oude helemaal vies was geworden."
verband
Zelfstandig naamwoord
  • gezamelijke verandering
"Zou er een verband zijn tussen sporten en roken?"