Betekenis van:
vruchtvlees

vruchtvlees
Zelfstandig naamwoord
  • het zachte en/of sappige deel van een vrucht
"Het lekkerste vindt zij sap met vruchtvlees erin."

Voorbeeldzinnen

  1. kleur van het vruchtvlees,
  2. wit, stevig en zeer geurig vruchtvlees hebben.
  3. Het vruchtvlees moet volkomen gaaf zijn.
  4. Het vruchtvlees mag geen ernstige afwijkingen vertonen.
  5. Het vruchtvlees moet vrij zijn van ernstige afwijkingen.
  6. Kleur van het vruchtvlees indien deze niet rood is.
  7. vrij van aantasting van het vruchtvlees door plagen,
  8. nagenoeg vrij van aantasting van het vruchtvlees door plagen,
  9. Zij moeten vast zijn en het vruchtvlees moet volkomen gaaf zijn.
  10. Perzikbomen (Perzikbomen die vruchten met geel vruchtvlees voortbrengen), tussen „Andere” en „Nectarines”:
  11. aanwezigheid van levende parasieten in de vrucht en/of aantasting van het vruchtvlees door parasieten.
  12. Perzikbomen (Perzikbomen die vruchten met wit vruchtvlees voortbrengen), tussen „Andere” en „Nectarines”:
  13. De vrucht moet vrij vast zijn en het vruchtvlees mag geen ernstige afwijkingen vertonen.
  14. Het vruchtvlees moet volkomen gaaf zijn, en de schil moet vrij zijn van ruige ruwschilligheid.
  15. „schil”: zowel schil die vastzit aan het vruchtvlees van de peer als schil die los in de recipiënt wordt aangetroffen;