Betekenis van:
wintersport

wintersport (de ~ | meervoud wintersporten)
Zelfstandig naamwoord
  • sport die je typisch 's winters doet
"met/op/'naar de' wintersport (gaan/zijn)"

Hyperoniemen

wintersport
Zelfstandig naamwoord
  • sport die in de winter beoefend wordt

Voorbeeldzinnen

  1. Een wintersport waar veel mensen van houden is ijsschaatsen.
  2. Ski's, voor de wintersport