Betekenis van:
zeg
zeg
Zelfstandig naamwoord
- ''voornamelijk als verkleinwoord'' een uiting van wat men in een vergadering in te brengen heeft
"Nadat hij eindelijk zijn zegje gedaan had, ging men over tot het volgende punt."
zeg
Werkwoord
- een aankondiging van een voorbeeld
"De kookpunten van metalen uit het d-blok, zeg wolfraam, zijn bijzonder hoog."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Zeg dat opnieuw, alsjeblieft.
- Zeg je vrienden gedag.
- Zeg geen onzin!
- Zeg je vrienden gedag.
- Waarom zeg je niks?
- Zeg eens "aaa".
- Zeg geen onzin!
- Zeg dat niet.
- Waarom zeg je dat?
- Zeg hem dat niet, alsjeblieft!
- Zeg me wat je wil.
- Zeg niets tegen mijn vriendje.
- Ik meen wat ik zeg.
- Zeg "Dag" tegen uw vrienden.
- Verstaat ge wat ik zeg?