Betekenis van:
zoemer
zoemer
Zelfstandig naamwoord
- een apparaatje dat een signaal afgeeft in de vorm van een zoemend geluid
"Toen de zoemer ging was het examen afgelopen en leverden de leerlingen zuchtend hun werk in."
Voorbeeldzinnen
- in de bestuurderscabine een waarschuwingslamp te ontsteken of te gaan knipperen en een geluidssignaal (zoemer/claxon of gesproken melding) te weerklinken;