Betekenis van:
zoemer

zoemer (de ~ | meervoud zoemers)
Zelfstandig naamwoord
  • elektrische bel
"de zoemer gaat"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zoemer
Zelfstandig naamwoord
  • een apparaatje dat een signaal afgeeft in de vorm van een zoemend geluid
"Toen de zoemer ging was het examen afgelopen en leverden de leerlingen zuchtend hun werk in."

Voorbeeldzinnen

  1. in de bestuurderscabine een waarschuwingslamp te ontsteken of te gaan knipperen en een geluidssignaal (zoemer/claxon of gesproken melding) te weerklinken;