Betekenis van:
zondagsrijder

zondagsrijder
Zelfstandig naamwoord
  • weggebruiker die een vervoermiddel (voornamelijk auto, maar ook bijvoorbeeld paard, bromfiets) met een kennelijk zo gebrekkige rijtechniek gebruikt, dat het erop lijkt alsof hij/zij alleen op vrije dagen voor het plezier wel eens een rustig ritje maakt en
"Die zondagsrijder bleef de hele tijd onnodig links rijden."
zondagsrijder (de ~ | meervoud zondagsrijders)
Zelfstandig naamwoord
  • ongeoefend automobilist

Hyperoniemen