Vertaling van det

Inhoud:

Deens
Nederlands
den, det {pers. vnw.}
't
het 

Voorbeelden in zinsverband

Deens
Nederlands

Glem det.

Vergeet dat.

Det regner.

Het regent.

Det regnede.

Het regende.

Det regner.

Het regent.

Er det det rigtige tog til Tokyo?

Is dit de juiste trein naar Tokio?

"Hvem er det?" "Det er din mor."

"Wie is het?" "Het is je moeder."

Det overrasker mig ikke.

Het verbaast me niet.

Det er min kat.

Dat is mijn kat.

Det vidste jeg ikke.

Ik wist dit niet.

Det er for varmt.

Het is te heet.

Det regner skomagerdrenge.

Het regent dat het giet.

Hvordan går det?

Hoe gaat het?

Det er en hemmelighed.

't Is een geheim.

Hvad er det?

Wat is het?

Det er bedre.

Het is beter.


Gerelateerd aan det

den