Vertaling van gå

Inhoud:

Deens
Nederlands
gå, marchere {ww.}
marcheren
lopen 
gå {ww.}
gaan 
lopen 
zich begeven
verlopen
van stapel lopen
Må jeg gå hjem?
Mag ik naar huis gaan?
Du bør gå tidlig hjem.
Je moet vroeg naar huis gaan.


Voorbeelden in zinsverband

Deens
Nederlands

Må jeg gå hjem?

Mag ik naar huis gaan?

Jeg vil ikke gå i skole.

Ik wil niet naar school.

Jeg kan ikke lide at gå i skole.

Ik vind school niet leuk.


Gerelateerd aan gå

marchere