Vertaling van gift

Inhoud:

Deens
Nederlands
gift {zn.}
vergif
gift
gif
venijn
zwadder
Han lavede en fejl og drak gift.
Hij vergiste zich en dronk vergif.
gift {bn.}
gehuwd
getrouwd 

Voorbeelden in zinsverband

Deens
Nederlands

Er du gift?

Bent u getrouwd?

Jeg er gift.

Ik ben getrouwd.

Jeg er gift og har to børn.

Ik ben getrouwd en heb twee kinderen.

Han lavede en fejl og drak gift.

Hij vergiste zich en dronk vergif.

Vi blev gift for syv år siden.

We zijn zeven jaar geleden getrouwd.