aflægge, gøre, lave {ww.} maken
uitvoeren
uitrichten
uitbrengen
doen
bedrijven
aanmaken
Du bliver ved med at lave de samme fejl gang efter gang.
Je blijft keer op keer dezelfde fouten maken.
Hvad han siger har intet at gøre med dette problem.
Wat hij zegt heeft niets met dit probleem te maken.