Vertaling van Ausländer

Inhoud:

Duits
Nederlands
Ausländer [m] (der ~) {zn.}
buitenlander [m]
Ich bin Ausländer.
Ik ben een buitenlander.
Der Ausländer konnte überhaupt kein Japanisch.
De buitenlander kende helemaal geen Japans.
Fremder [m] (der ~), Fremdling [m] (der ~), Ausländer [m] (der ~) {zn.}
vreemde
vreemdeling  [v]
onbekende
Ich bin hier ein Fremder.
Ik ben een vreemdeling hier.
Ein Fremder hat mich im Bus angesprochen.
Een vreemde sprak mij aan op de bus.


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Ausländer machen mich neugierig.

Buitenlanders maken me nieuwsgierig.

Ich bin Ausländer.

Ik ben een buitenlander.

Sein Akzent lässt auf einen Ausländer schließen.

Zijn uitspraak geeft aan dat hij een buitenlander is.

Der Ausländer konnte überhaupt kein Japanisch.

De buitenlander kende helemaal geen Japans.

Der Ausländer spricht ziemlich gut Japanisch.

De buitenlander spreekt redelijk goed Japans.

Wie fließend dieser Ausländer doch Japanisch spricht!

Hoe vloeiend die buitenlander Japans spreekt!

Für Ausländer ist es mühevoll, Japanisch zu lernen.

Het is moeilijk voor buitenlanders om Japans te leren.


Gerelateerd aan Ausländer

Fremder - Fremdling