Vertaling van Fliegen

Inhoud:

Duits
Nederlands
Fliegen [o] (das ~) {zn.}
vlucht 
fliegen, eilen, dahineilen, jagen, verfliegen {ww.}
vliegen 

wir fliegen
sie fliegen

wij vliegen
zij vliegen
» meer vervoegingen van vliegen

Dieser Vogel kann nicht fliegen.
Deze vogel kan niet vliegen.
Nicht alle Vögel können fliegen.
Niet alle vogels kunnen vliegen.
fliegen {ww.}
vliegen 

wir fliegen
sie fliegen

wij vliegen
zij vliegen
» meer vervoegingen van vliegen

Können Sie mir das Fliegen beibringen?
Kun je me leren vliegen?
Bienen fliegen von Blume zu Blume.
Bijen vliegen van bloem tot bloem.

Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Nicht alle Vögel können fliegen.

Niet alle vogels kunnen vliegen.

Dieser Vogel kann nicht fliegen.

Deze vogel kan niet vliegen.

Bienen fliegen von Blume zu Blume.

Bijen vliegen van bloem tot bloem.

Ich würde gern nach Japan fliegen.

Ik zou graag naar Japan kunnen gaan.

Normalerweise fliegen Fledermäuse in der Dunkelheit.

Gewoonlijk vliegen vleermuizen in het duister.

Können Sie mir das Fliegen beibringen?

Kun je me leren vliegen?

Wenn ich ein Vogel wäre, würde ich zu dir fliegen.

Als ik een vogel was, zou ik naar jou toe vliegen.

Ich reise lieber mit dem Zug als zu fliegen.

Ik reis liever met de trein dan met de vliegtuig.

Wenn ich ein Vogel wäre, würde ich zu dir fliegen.

Als ik een vogel was, zou ik naar jou toe vliegen.

Im Winter fliegen die trockenen Blätter in der Luft herum.

In de winter vliegen de droge bladeren in de lucht rond.

Ich fahre lieber mit dem Zug als zu fliegen.

Ik reis liever per trein dan per vliegtuig.


Gerelateerd aan Fliegen

fliegen - eilen - dahineilen - jagen - verfliegen