Futur [o] (das ~), Futurum, Zukunft [v] (die ~) {zn.} toekomst
toekomende tijd
futurum [o]
Latein ist die Sprache der Zukunft.
Latijn is de taal van de toekomst!
Manche Träume geben einen flüchtigen Blick auf die Zukunft.
Sommige dromen zijn een glimp van de toekomst.