Beispiel [o] (das ~), Exempel, Lehrbeispiel, Muster [o] (das ~), Vorbild [o] (das ~) {zn.} voorbeeld [o]
exempel [o]
toonbeeld [o]
Er hat mir ein Beispiel gegeben.
Hij gaf me een voorbeeld.
Wir sollten seinem Beispiel folgen.
We zouden zijn voorbeeld moeten volgen.