Vertaling van auswerfen

Inhoud:

Duits
Nederlands
ausbreiten, ausrecken, strecken, ausstrecken, erstrecken, aufspannen, ausspannen, auslegen, auswerfen, aufhängen, recken, ausdehnen, dehnen, erweitern {ww.}
uitstrekken
uitsteken
uitbreiden 
strekken
rekken
ophouden

ich werde auswerfen
du wirst auswerfen
er/sie/es wird auswerfen

ik zal uitstrekken
jij zult uitstrekken
hij/zij/het zal uitstrekken
» meer vervoegingen van uitstrekken

speien, ausspeien, auswerfen, spucken {ww.}
spuwen
spugen

ich werde auswerfen
du wirst auswerfen
er/sie/es wird auswerfen

ik zal spuwen
jij zult spuwen
hij/zij/het zal spuwen
» meer vervoegingen van spuwen

In Singapur ist es ein Verbrechen, auf den Boden zu spucken.
In Singapore is op de grond spuwen een misdaad.