Vertaling van blaß

Inhoud:

Duits
Nederlands
blaß, bleich, fahl {bn.}
bleek
flets
pips
vaal
hineinblasen {ww.}
inblazen
aufblasen {ww.}
opblazen
blasen, wehen, pusten {ww.}
waaien
blazen
ausblasen {ww.}
uitblazen
fortblasen, wegblasen, verschleudern, zum Fenster hinauswerfen {ww.}
wegblazen