Vertaling van gewesen

Inhoud:

Duits
Nederlands
gewesen, einstig, ehemalig, vergangen {bn.}
gewezen
voormalig
vroeger 
sein {ww.}
zijn 
wezen

ich bin gewesen
du bist gewesen
er/sie/es ist gewesen

ik ben geweest
jij bent geweest
hij/zij/het is geweest
» meer vervoegingen van zijn

Programmiersprachen sind sein Hobby.
Programmeertalen zijn zijn hobby.
Sein Vater scheint Anwalt zu sein.
Zijn vader schijnt advokaat te zijn.


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Das ist immer so gewesen.

Dat is altijd zo geweest.

Ich bin zwei Mal in London gewesen.

Ik ben tweemaal in Londen geweest.

Dort scheint ein Fehler gewesen zu sein.

Het lijkt erop dat er een fout is gemaakt.

Sie sah aus, als wäre sie lange krank gewesen.

Ze zag eruit alsof ze lange tijd ziek geweest was.

Ich erinnere mich daran, als ob es gestern gewesen wäre.

Ik herinner het mij alsof het gisteren was.

Wenn seine Frau nicht gewesen wäre, hätte er seine Arbeitsstelle nicht gewechselt.

Als zijn vrouw er niet voor hem was geweest, was hij niet van baan gewisseld.


Gerelateerd aan gewesen

einstig - ehemalig - vergangen - sein