Vertaling van hassen
Inhoud:
Duits
Nederlands
hassen {ww.}
haten
wir hassen
sie hassen
wij haten
zij haten
» meer vervoegingen van haten
Tut denen wohl, die euch hassen.
Als de mensen u haten, wees dan goed voor hen.
Voorbeelden in zinsverband
Duits
Nederlands
Kinder hassen oft Spinat.
Kinderen hebben vaak een hekel aan spinazie.
Kinder hassen das Nerven der Lehrer.
Kinderen hebben er een hekel aan om leraren te irriteren.