Vertaling van immer

Inhoud:

Duits
Nederlands
allemal, allzeit, fortwährend, immer, jederzeit, stets, immerdar {bw.}
altijd 
immer
steeds 
altoos
immer, stets, allzeit, jederzeit, dauernd, immerdar, allezeit, immerfort, immerzu, immerwährend, ständig
voortdurend
altijd
te allen tijde
constant
steeds
immer
continu
almaar
standvastig
onafgebroken
altoos
steevast
permanent
iedere keer
alsmaar
elke keer
immermeer

Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Immer sachte.

Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinwinkel.

Er ist immer pünktlich.

Hij is altijd op tijd.

Sie glaubt mir immer.

Ze gelooft mij altijd.

Er ist immer glücklich.

Hij is altijd gelukkig.

Sie spricht immer Englisch.

Ze spreekt altijd Engels.

Hier passiert immer irgendetwas.

Er is altijd iets gaande hier.

Du singst immer.

Jij zingt altijd.

Ich habe immer Hunger.

Ik heb altijd honger.

Sie beschweren sich immer.

Ze klagen altijd.

Er ist immer montags zuhause.

Op maandag is hij altijd thuis.

Bist du immer so beschäftigt?

Heb je het altijd druk?

Sie sieht immer blass aus.

Ze ziet er altijd bleek uit.

Komme, wann immer du möchtest.

Kom wanneer het je uitkomt.

Sie liebte ihn immer noch.

Ze hield nog steeds van hem.

Du bist immer zu spät.

Je bent altijd te laat.