Vertaling van spazieren

Inhoud:

Duits
Nederlands
promenieren, spazieren {ww.}
wandelen
lopen 
tippelen
aan de wandel zijn

wir spazieren
sie spazieren

wij wandelen
zij wandelen
» meer vervoegingen van wandelen

Er ist spazieren gegangen.
Hij ging wandelen.
Sie geht gerne allein spazieren.
Ze gaat graag alleen wandelen.


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Er ist spazieren gegangen.

Hij ging wandelen.

Gehe jeden Tag spazieren!

Wandel elke dag.

Sie geht gerne allein spazieren.

Ze gaat graag alleen wandelen.

Mir macht es nichts aus, im Regen spazieren zu gehen.

Het maakt me niet uit om in de regelen te wandelen.


Gerelateerd aan spazieren

promenieren