Vertaling van doing.
Voorbeelden in zinsverband
How are you doing?
Hoe gaat het?
What were you doing?
Wat was je aan het doen?
How's my wife doing?
Hoe gaat het met mijn vrouw?
What is he doing?
Wat is hij aan het doen?
Theoretically, I'm doing math.
In theorie ben ik net met wiskunde bezig.
Everyone is doing it.
Iedereen doet het.
What're you doing?
Wat ben je aan het doen?
How is your family doing?
Hoe is het met uw familie?
What are you doing here?
Wat doe je hier?
What are you doing, Dad?
Wat doe je, papa?
Have you finished doing your homework yet?
Hebt gij uw huiswerk al af?
Hi, Mimi! How are you doing?
Hoi Mimi! Hoe gaat het?
Don't tell anyone what we're doing.
Vertel niemand wat we aan het doen zijn.
Give me a reason for doing such a thing.
Geef mij één reden om zoiets te doen.
When I returned home, my brother was doing his homework.
Toen ik thuiskwam, was mijn broer zijn huiswerk aan het doen.