Vertaling van month

Inhoud:

Engels
Nederlands
month {zn.}
maand 
We're moving house next month.
We verhuizen volgende maand.
I moved last month.
Ik verhuisde een maand geleden.
calendar month, month {zn.}
maand [m] (de ~)
kalendermaand
I'll be taking a vacation next month.
Ik neem vakantie volgende maand.
He gets a haircut once a month.
Hij knipt zijn haar eens per maand.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I moved last month.

Ik verhuisde een maand geleden.

We're moving house next month.

We verhuizen volgende maand.

He gets a haircut once a month.

Hij knipt zijn haar eens per maand.

Every month I get paid 300,000 yen.

Ik heb een salaris van 300.000 yen per maand.

The magazine is issued twice a month.

Het magazine komt twee keer per maand uit.

Her older sister got married last month.

Zijn oudere zus is afgelopen maand getrouwd.

I'm going to Paris next month.

Volgende maand ga ik naar Parijs.

A month is too little time.

Een maand is te weinig tijd.

I had a bladder infection last month.

Ik had een blaasontsteking vorige maand

His brother passed away last month.

Zijn broer is afgelopen maand overleden.

I'll be taking a vacation next month.

Ik neem vakantie volgende maand.

She's been wearing the same hat for a month.

Ze draagt nu al een maand dezelfde hoed.

This is the driest month of june since the thirties.

Dit is de droogste juni sinds de jaren dertig.

I had my driver's license renewed last month.

Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.

How many books do you read per month?

Hoeveel boeken leest ge per maand?


Gerelateerd aan month

calendar monthtime unit